OCW Beleidsnieuws week 48 & 49

Tiende voortgangsrapportage passend onderwijs
In de tiende voortgangsrapportage passend onderwijs die staatssecretaris Dekker (OCW) aan de Tweede Kamer heeft gestuurd, besteedt hij ook aandacht aan de governance binnen samenwerkingsverbanden. Volgens Dekker hebben schoolbesturen en samenwerkingsverbanden niet altijd dezelfde belangen. Daarom vindt hij het belangrijk dat in de samenwerkingsverbanden goed wordt nagedacht over hoe de governance wordt ingericht. Ook de Onderwijsraad geeft dit aan in het recente briefadvies over passend onderwijs. Vaak houden de schoolbesturen toezicht op het samenwerkingsverband, naast dat zij het samenwerkingsverband besturen. De behoefte ontstaat om bestuur en toezicht meer te scheiden, bijvoorbeeld door middel van een onafhankelijke voorzitter of bestuurder of een onafhankelijk orgaan voor intern toezicht. Dat kan ertoe leiden dat schoolbesturen meer op afstand komen te staan van het besturen van het samenwerkingsverband. Dit is echter ook lastig voor schoolbesturen. Er spelen immers veel inhoudelijke, organisatorische en financiële kwesties, waarbij de schoolbesturen betrokken willen zijn. Deze betrokkenheid mag echter niet leiden tot trage of belemmerde besluitvorming. De PO-Raad en de VO-raad blijven de samenwerkingsverbanden ook komende periode ondersteunen om de governance binnen de samenwerkingsverbanden te verbeteren. De inspectie ziet toe op doelmatige inrichting van de taken en processen van de samenwerkingsverbanden.

In de voortgangsrapportage gaat staatssecretaris Dekker ook in op de rechtmatige en doelmatige inzet van de ontvangen middelen voor passend onderwijs door de samenwerkingsverbanden. Over de inzet van de middelen rapporteren de samenwerkingsverbanden in hun jaarverslag. Op basis van een analyse van de jaarverslagen 2015, die voor het eerst door alle samenwerkingsverbanden zijn ingediend, concludeert de staatssecretaris dat een deel van de samenwerkingsverbanden de middelen nog niet of nog niet geheel heeft besteed. In totaal is circa 9 procent van het budget in het primair onderwijs en ruim 10 procent in het voortgezet onderwijs (nog) niet ingezet. Er zijn daarbij grote verschillen tussen samenwerkingsverbanden: er zijn verbanden met een kleine min en verbanden waar meer dan 20 procent van het budget nog niet is besteed. Het aanhouden van enige reserve is volgens de staatssecretaris nodig als borging van de continuïteit. De reden en de omvang van de reserves moeten goed worden onderbouwd in het jaarverslag en aansluiten bij de reële onzekerheden en risico’s. Dat gebeurt vaak nog niet. Daarom gaat de inspectie als onderdeel van het financieel toezicht de inzet van de middelen voor extra ondersteuning bespreken met zowel de schoolbesturen als de samenwerkingsverbanden. Verder zullen in de eerste maanden van 2017 regiobijeenkomsten worden georganiseerd voor samenwerkingsverbanden om hen te informeren over de noodzakelijke onderdelen van de jaarrekening en het jaarverslag en te bespreken hoe zij hun jaarverslagen inhoudelijk kunnen verbeteren. Passend onderwijs wordt meegenomen in een brief aan besturen en samenwerkingsverbanden als een van de beleidsprioriteiten om over te rapporteren in het jaarverslag.



Resultaten PISA-2015 in vogelvlucht
Staatssecretaris Dekker heeft de Kamer het rapport Resultaten PISA-2015 in vogelvlucht aangeboden. PISA is het grootste internationaal vergelijkende onderzoek naar de prestaties van leerlingen in onderwijsstelsels in de wereld en geeft inzicht in de prestaties van vijftienjarige leerlingen in 71 landen (35 OESO-lidstaten en 36 partnerlanden) op het gebied van lezen, wiskunde en natuurwetenschappen. PISA wordt eens in de drie jaar uitgevoerd. PISA 2015 is in Nederland afgenomen bij 5385 vijftienjarige leerlingen op 187 scholen voor praktijkonderwijs, vmbo, havo en vwo. In een Kamerbrief geeft de staatssecretaris een eerste reactie op de onderzoeksresultaten.

Nederlandse leerlingen presteren voor lezen, wiskunde en natuurwetenschappen ruim boven het gemiddelde van de OESO-landen en EU-landen. Binnen de EU is Nederland een toppresteerder. Wel komen steeds meer landen op hetzelfde niveau als Nederland. Kleine verschillen kunnen dan al snel tot een hogere of lagere ranking leiden. Daarbij is er over de langere termijn (sinds 2006) een daling in de gemiddeld behaalde prestaties op alle vaardigheidsgebieden.

In PISA-2015 wordt Nederland door de OESO genoemd als een consistent hoog presterend land, dat ook heel goed in staat is om sociaaleconomische ongelijkheden te corrigeren. In Nederland halen, in vergelijking met het OESO-gemiddelde, weinig vijftienjarige leerlingen de laagste scores en veel leerlingen de hoogste. Opvallend is wel dat de percentages laag presterende leerlingen in heel Europa stijgen, ook in Nederland. Het percentage leerlingen dat op alle drie de onderzochte domeinen laag scoort is gemiddeld 13,3 procent in de EU. Nederland zit daar ruim onder, maar de stijging van het aantal laag presterende leerlingen lijkt het belang van het onlangs ingezette beleid rond kansengelijkheid te onderstrepen. Als het gaat om de beste presteerders scoort Nederland ook boven het OESO-gemiddelde.

Het vaardigheidsniveau van Nederlandse leerlingen in natuurwetenschappen ligt met een score van 509 ruim boven het OESO-gemiddelde van 491. Binnen de OESO landen neemt Nederland voor natuurwetenschappen de elfde positie in. In vier landen zijn de prestaties statistisch significant hoger dan Nederland: Japan, Estland, Finland en Canada. Ook binnen de EU scoort Nederland goed: alleen Estland en Finland halen hogere prestaties. In lijn met de gemiddeld hogere scores in Nederland, is ook het percentage leerlingen met een hoge score hoger dan gemiddeld in de OESO (11 procent versus 8 procent) en is het percentage leerlingen met een lage score lager (19 procent versus 21 procent). Voor het eerst sinds 2003 constateren de onderzoekers bij de gemiddeld behaalde Nederlandse scores bij natuurwetenschappen een significante daling. Deze daling is ook terug te zien in de gemiddelde score binnen de OESO. Volgens de onderzoekers is de Nederlandse daling geheel aan de resultaten binnen het vmbo toe te schrijven. De prestaties van de havo- en vwo-leerlingen zijn tussen 2012 en 2015 voor natuurwetenschappen stabiel gebleven.

Ook de Nederlandse leesvaardigheid is met 503 ruim hoger dan de gemiddelde OESO-score van 494. De leesvaardigheid van havo- en vwo-leerlingen blijkt sinds 2006 op peil te zijn gebleven, maar de prestaties van de vmbo-leerlingen zijn sinds 2006 gestaag gedaald. Binnen de OESO-landen neemt Nederland een twaalfde positie in. Er zijn zeven landen die significant beter presteren: Canada, Finland, Ierland, Estland, Zuid-Korea, Japan en Noorwegen. Binnen de EU presteren drie landen beter: Estland, Ierland en Finland. Ook bij leesvaardigheid zien we dat de internationaal gezien hogere Nederlandse prestaties zich doorvertalen naar iets minder laag presterende leerlingen dan gemiddeld binnen de OESO (18 procent tegenover 20 procent) en een iets hoger percentage leerlingen dat de hoogste vaardigheidsscores haalt (11 procent versus 8 procent).

Voor wiskunde behaalt Nederland een gemiddelde vaardigheidsscore van 512, wat ruim boven de OESO-gemiddelde score van 491 ligt. De Nederlandse wiskundescores daaldensinds 2003 stapje voor stapje. De daling zet ook tussen 2012 en 2015 door. Ook het OESO-gemiddelde laat een daling zien, maar de onderzoekers constateren dat de daling in Nederland sterker lijkt. De dalende trend in Nederland voor wiskunde doet zich niet op alle niveaus voor; in tegenstelling tot de ontwikkeling bij lezen en natuurwetenschappen zijn vmbo kb en vmbo g/tl hier juist een positieve uitzondering.


Rekenen en natuuronderwijs
Trends in International Mathematics and Science Study (TIMSS) is een internationaal steekproefonderzoek naar de basisvaardigheden van kinderen in groep 6 op het gebied van rekenen en natuuronderwijs, dat eens in de vier jaar plaatsvindt. Aan de editie van 2015 namen 49 landen deel. In een Kamerbrief gaat de staatssecretaris in op de belangrijkste bevindingen. Zowel voor rekenen als natuuronderwijs heeft Nederland ruim boven het internationale TIMSS-gemiddelde gepresteerd. Het Nederlandse basisonderwijs slaagt er consequent goed in om vrijwel alle leerlingen in groep 6 minstens op het basisniveau te krijgen. Het aantal leerlingen dat het op een na hoogste niveau haalt, is ten opzichte van de vorige meting echter afgenomen. Als gevolg hiervan dalen de gemiddelde prestaties van de Nederlandse leerlingen licht. Hoewel deze afname relatief klein is, gaat het hier om een reële daling die past binnen een meerjarige trend die zich sinds de eerste meting in 1995 aftekent.

Nederland kent een zeer kleine spreiding in de leerlingresultaten. Dit betekent dat de verschillen tussen leerlingen in Nederland die het laagst scoren en leerlingen die het hoogst scoren, klein zijn. Vier procent van de leerlingenpopulatie scoort op het meest geavanceerde niveau. Dit is onder het internationaal gemiddelde, maar door de tijd heen genomen stabiel. Met name het hoge niveau wordt ten opzichte van eerdere metingen door minder leerlingen behaald. Waar in 1995 50 procent van de leerlingen voor rekenen op dit niveau scoorde, bereikt nu 37 procent van de leerlingen dit hoge niveau.


Beantwoording Kamervragen over publicatie jaarverslagen
Minister Bussemaker en staatssecretaris Dekker vinden het onacceptabel wanneer publiek bekostigde onderwijsinstellingen hun jaarverslagen niet gemakkelijk toegankelijk maken, ondanks gemaakte afspraken hierover in de Code Goed bestuur. Dit schrijven zij op Kamervragen. Daarom gaan zij de sectorwetten aanpassen en in de Regeling Jaarverslaggeving Onderwijs nadere aanwijzingen geven over de openbaarmaking van het gehele jaarverslag, bestaand uit zowel het bestuursverslag, de jaarrekening en overige relevante stukken. Vervolgens kan de Inspectie van het Onderwijs hierop handhaven.


Kamerbrief over onderwijsarbeidsmarkt
In het primair onderwijs is het de laatste jaren vooral voor jonge leraren lastig geweest een (vaste) baan te vinden, met name in de krimpregio’s. Deze situatie lijkt nu voorbij, de komende jaren zullen in het primair onderwijs naar verwachting meer leraren nodig zijn dan er nu beschikbaar zijn. Hierbij is nog wel steeds sprake van regionale verschillen. Dit schrijven de minister Bussemaker en staatssecretaris Dekker in een Kamerbrief over onderwijsarbeidsmarkt.

Voor het voortgezet onderwijs geldt dat er sprake is van verschillende tekortvakken waarvoor het moeilijker is leraren te vinden. Voor de vakken met de grootste tekorten lijkt deze situatie voorlopig zo voort te duren. Voor de andere vakken geldt dat er de komende jaren uiteindelijk vrijwel geen tekorten meer zullen zijn. Het middelbaar beroepsonderwijs heeft veel instroom van docenten op latere leeftijd vanuit de reguliere arbeidsmarkt. Deze zogenaamde zijinstroom leidt tot een gemiddeld hogere leeftijd van het lerarenbestand, dat daardoor de laatste jaren dan ook relatief meer vergrijsde. De in verhouding beperkte instroom van jonge docenten afkomstig van lerarenopleidingen, met name voor de technische vakken, speelt hier ook een belangrijke rol. Dit betekent dat verhoudingsgewijs veel leraren de komende jaren met pensioen zullen gaan. Er worden de komende echter jaren nog geen grote problemen verwacht, met als mogelijke uitzondering leraren voor technische beroepsgerichte vakken.


Tweede voortgangsrapportage sectorakkoorden primair en voortgezet onderwijs
In 2014 heeft staatssecretaris Dekker met de PO-Raad en de VO-raad sectorakkoorden afgesloten. Twee jaar na dato zijn er op de eerste hoofdambitie, uitdagend onderwijs en maatwerk, positieve resultaten bereikt. Bij de andere twee hoofdambities, professionalisering en verbetercultuur, is er veel in uitvoering, maar is het effect daarvan nog niet in alle tussenresultaten zichtbaar. Dit schrijft de staatssecretaris in een brief waarmee hij de tweede voortgangsrapportage sectorakkoorden primair en voortgezet onderwijs aan de Kamer aanbiedt.

Op een aantal aspecten is sprake van positieve resultaten: meer startende leraren worden begeleid, het aandeel onbevoegd gegeven lessen is lager en meer schoolleiders zijn geregistreerd in het Schoolleidersregister. Bovendien zijn er minder (zeer) zwakke scholen in het primair en voortgezet onderwijs en in het primair onderwijs hebben meer (zeer) zwakke scholen zich binnen een jaar verbeterd. Tegelijkertijd valt de voortgang tegen als het gaat om de beheersing van didactische en differentiatievaardigheden van docenten. Daarnaast is op het gebied van kwaliteitszorg op school- en bestuursniveau in het primair onderwijs nog winst te behalen en zijn voor het verbeteren van het opbrengstgericht werken in het voortgezet onderwijs stappen gezet, maar blijft de doorwerking naar het niveau van de klas een aandachtspunt.

In 2017 is de eerste formele tussenmeting. Op basis van de dan geboekte voortgang wordt bepaald of er aanleiding is tot aanpassing van de afspraken, aanpak en inzet van middelen. Het is volgens de staatssecretaris aan de besturen en scholen om nu ook op het terrein van professionalisering en verbetercultuur vaart te maken. Daarvoor krijgen de besturen komend jaar weer extra middelen via de prestatiebox. Dekker verwacht dat de besturen deze extra middelen inzetten op het bereiken van de afgesproken ambities.


Internetconsultatie onderwijs op een andere locatie dan school
Het conceptwetsvoorstel Onderwijs op een andere locatie heeft als doel het recht op onderwijs van voldoende niveau voor kinderen te borgen door eisen te stellen aan het onderwijs dat op andere locaties dan de school plaatsvindt. Met dit voorstel worden in het funderend onderwijs de mogelijkheden uitgebreid voor onderwijs op een andere locatie dan de school. Doelgroepen die door de regeling worden geraakt zijn leerlingen die vanwege lichamelijke of psychische problematiek uitvallen; sportieve en culturele toptalenten in het primair onderwijs; kinderen van ouders die langdurig (willen) verblijven in het buitenland; ouders die hun kinderen thuisonderwijs willen geven. De internetconsultatie over het conceptwetsvoorstel loopt tot 31 januari 2017.

VTOI, Röntgenlaan 19, 2719 DX Zoetermeer
Postbus 275, 2700 AG Zoetermeer
Telefoonummer: 079-3638104
E-mailadres: bureau@vtoi.nl