OCW Beleidsnieuws week 50, 51 & 52

Curriculumherziening in het funderend onderwijs
Volgens staatssecretaris Dekker is Onderwijs2032 geen geschikte naam voor de beoogde herziening van het curriculum in het funderend onderwijs. Dit schrijft hij in een brief aan de Tweede Kamer. Zo kan het jaartal 2032 de indruk wekken dat het gaat om een ontwikkeling die pas over geruime tijd betekenis voor het onderwijs krijgt, terwijl het juist de nadrukkelijke ambitie is om op afzienbare termijn tot een verbeterd curriculum te komen dat beter aansluit op maatschappelijke ontwikkelingen en de wensen van leerlingen, ouders en leraren. Tegelijkertijd suggereert de naam ten onrechte dat het om een stelselherziening van het onderwijs gaat. Daarom wordt er vanaf nu niet langer gesproken van Onderwijs2032, maar wordt het traject voorlopig aangeduid als curriculumherziening in het primair en voortgezet onderwijs.

De staatssecretaris werkt met de Onderwijscoöperatie en de leden van de regiegroep aan een gezamenlijk voorstel voor het vervolgproces van curriculumherziening. Het streven is om dit voorstel, inclusief een passende naam voor het traject, in januari 2017 met de Kamer te delen. Ten aanzien van het voorstel heeft de staatssecretaris een aantal uitgangspunten geformuleerd. Zo is het belangrijk dat een hoofdrol is weggelegd voor leraren, maar dat ook leerlingen, ouders, lerarenopleiders, wetenschappers, vervolgonderwijs, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties een stem hebben. Met hun praktijkervaring voeden leraren de uitwerking van het curriculum op landelijk niveau. Meer dan in het verleden moeten de ervaringen en inzichten die leraren(teams) in scholen met curriculumontwikkeling opdoen een plek krijgen in de landelijke uitwerking. Tegelijkertijd moeten voorstellen voor het landelijke curriculum worden uitgeprobeerd in de schoolpraktijk. De door de onderwijspraktijk beproefde curriculumvoorstellen worden uiteindelijk door de overheid vastgesteld. De overheid heeft daarnaast de verantwoordelijkheid om het ontwikkelproces te faciliteren en de kwaliteit ervan te borgen.

In de Kamerbrief geeft de staatssecretaris aan welke thema’s worden uitgewerkt. Het gaat om Nederlands, rekenen en wiskunde, Engels, burgerschap, digitale geletterdheid en vakoverstijgende vaardigheden. Ook is het mogelijk dat actualisatie en concretisering van de overige vakdisciplines en leergebieden wenselijk is. Verkend moet worden in hoeverre het huidige curriculum op deze onderdelen inhoudelijk volstaat of dat verbeteringen mogelijk zijn. Daarnaast is het voor het primair onderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs noodzakelijk om in het curriculum duidelijker de ambitie te beschrijven ten aanzien van wetenschaps- en techniekonderwijs.

Integratie van migranten
Het SCP-rapport Integratie in zicht? laat zien dat er onder migrantengroepen sprake is van een stijgend opleidingsniveau, verbeterde onderwijsprestaties en een betere beheersing van de Nederlandse taal. Tegelijkertijd blijft er sprake van een blijvend grote (kansen)achterstand op de arbeidsmarkt en een stijgend onbehagen van migranten over hun leven en mogelijkheden in dit land.

De Nederlandse taalbeheersing is binnen de Turks- en Marokkaans-Nederlandse groep gestaag toegenomen. Turkse Nederlanders hebben het vaakst moeite met de Nederlandse taal en binnen hun huishoudens wordt ook het minst Nederlands gesproken. Minder dan de helft (43%) spreekt vaak of altijd Nederlands met hun kinderen.

In het basisonderwijs lopen niet-westerse leerlingen zowel bij begrijpend lezen als rekenen hun achterstand op autochtone Nederlandse leerlingen in, maar er is nog wel verschil. Die achterstandspositie kan grotendeels worden toegeschreven aan verschillen in het opleidingsniveau van de ouders. Dit beeld van achterstand en vooruitgang geldt ook voor het voortgezet onderwijs. Niet-westerse leerlingen zitten nog altijd veel vaker in de lagere vmbo-leerwegen en het praktijkonderwijs. Wel is het aandeel leerlingen uit migrantengroepen in hogere niveaus van het voortgezet onderwijs in de afgelopen jaren toegenomen. Gunstig is de daling van het voortijdig schoolverlaten in het voortgezet onderwijs bij zowel niet-westerse als autochtone leerlingen. Ook in het mbo is sprake van een daling van het voortijdig schoolverlaten, maar hier zijn de verschillen tussen jongeren met een niet-westerse achtergrond en autochtone Nederlanders nog steeds fors.

In zijn geheel stijgt het opleidingsniveau van migranten. Toch heeft ongeveer een derde van de Turks- en Marokkaans-Nederlandse bevolking tussen 15-65 jaar alleen basisonderwijs gevolgd, tegen 6% van de autochtoon Nederlandse bevolking. De tweede generatie is beduidend hoger opgeleid dan de eerste. Rekening houdend met verschillen in onder meer het sociale herkomstmilieu, is er tussen migranten van de tweede generatie en autochtone Nederlanders weinig verschil in opleidingsniveau.

Financiële staat van het onderwijs
De financiële staat van het primair en voortgezet onderwijs is positief. Dit concluderen de bewindslieden op basis van het inspectierapport Financiële Staat van het Onderwijs 2015. In 2015 sloten zowel het primair als het voortgezet onderwijs het jaar af met een bescheiden positief resultaat met een rentabiliteit van respectievelijk 0,1 en 0,8 procent. In beide sectoren zijn goede liquiditeits- en solvabiliteitscijfers zichtbaar. Uit de kengetallen blijkt dat de schoolbesturen in het funderend onderwijs op zowel de korte als de lange termijn in staat zijn om aan hun financiële verplichtingen te voldoen. Ook neemt het aantal schoolbesturen dat onder aangepast financieel toezicht staat af.

De schoolbesturen in het funderend onderwijs hebben in 2015 meer geld uitgegeven aan personeel dan in 2014. In het voortgezet onderwijs houdt de stijging van de personeelslasten verband met een absolute stijging van het aantal docenten en sluit daarmee aan op de stijging van het aantal leerlingen. In het primair onderwijs is al enige jaren sprake van leerlingendaling, maar waar er tussen 2011 en 2012 sprake was van een forsere personeelsreductie dan op basis van de leerlingenontwikkeling mocht worden verwacht, zijn er in 2014 en 2015 weer meer leraren aangenomen. De leerlingaantallen en het aantal docenten zijn hierdoor de laatste jaren steeds beter met elkaar in balans.

De financiële kengetallen binnen de mbo-sector zijn in 2015 verder verbeterd en een grote meerderheid van de instellingen heeft een goede financiële positie. Gemiddeld realiseerde de sector een rentabiliteit van 3,8 procent. Hiervoor zijn een aantal verklaringen te geven. Een aantal mbo-instellingen heeft de afgelopen jaren financiële problemen gehad. Zij hebben nu een hoge rentabiliteit om de financiële ratio’s te verbeteren naar een voldoende niveau. De financiële problemen hebben bij de mbo-sector als geheel geleid tot een behoudender financieel beleid. Ook is gebleken dat mbo-instellingen het lastig vinden om incidentele middelen in hun begroting te ramen. Dat betekent dat deze middelen niet geheel tot besteding kunnen komen in het jaar waarin ze ontvangen zijn. Deze kunnen een jaar later echter alsnog tot besteding komen. Ten slotte zijn er ook mbo-instellingen die investeringen voor een groot deel of geheel uit eigen middelen financieren. Deze mbo-instellingen sparen gedurende een langere tijd voordat ze de komende jaren over zullen gaan tot investeringen.

In 2015 is de rijksbijdrage in het mbo gestegen door onder andere de toevoeging van middelen uit het regeerakkoord en het toevoegen van middelen voor het uitvoeren van het loonruimteakkoord. De komende jaren loopt een aantal taakstellingen uit de regeerakkoorden nog verder op en zullen de studentenaantallen na 2020 gaan dalen door demografische ontwikkelingen. Dit zal naar verwachting leiden tot een daling van de rijksbijdrage in het mbo. De lasten binnen de sector zijn, met uitzondering van de personeelslasten, niet gestegen. De stijging van de personeelslasten kan verklaard worden door de uitvoering van het loonruimteakkoord en door een forse stijging van het aantal docenten sinds 2013.

Huisvestingsplan
De PO-Raad, de VO-raad en de VNG hebben een voorstel gedaan voor een gezamenlijk huisvestingsplan. Zij stellen daarin voor dat iedere gemeente een integraal huisvestingsplan moet opstellen waarover op overeenstemming gericht overleg moet worden gevoerd. In het integraal huisvestingsplan bepalen schoolbesturen en gemeente welke schoolgebouwen, wanneer gerenoveerd of vervangen worden. Daarnaast stellen zij voor dat renovatie als voorziening in de wet wordt opgenomen en de gezamenlijke verantwoordelijkheid wordt van schoolbesturen en gemeenten. Verder worden schoolbesturen verplicht een meerjarig onderhoudsplan per schoolgebouw op te stellen. In het op overeenstemming gericht overleg vindt afstemming plaats van het integraal huisvestingsplan en de meerjarige onderhoudsplannen. Gemeenten stellen jaarlijkse een budgetplafond vast en richten voor meerdere jaren een voorziening in. Het investeringsverbod voor schoolbesturen in het primair onderwijs wordt aangepast. Volgens staatssecretaris Dekker (OCW) biedt dit voorstel voldoende mogelijkheden voor verbetering van het stelsel, maar moet er nog veel uitgewerkt worden. Hij zal de raden en de VNG daarbij ondersteunen en het gesprek erover benutten om onderwerpen zoals meer ruimte voor nieuwe scholen, Green Deal, leegstand en doordecentralisatie aan de orde te stellen. De budgettaire claim in het voorstel is in zijn optiek een zaak voor het volgende kabinet.

VTOI, Röntgenlaan 19, 2719 DX Zoetermeer
Postbus 275, 2700 AG Zoetermeer
Telefoonummer: 079-3638104
E-mailadres: bureau@vtoi.nl