Nieuwsselectie onderwijs en kinderopvang - week 23 en 24

Nieuwsselectie onderwijs en kinderopvang week 23 en 24

(Bijgewerkt tot en met 14 juni 2018)

In deze Nieuwsselectie aandacht voor kleine kinderopvangorganisaties die hard worden getroffen door de wet IKK, het onderhandelaarsakkoord in de cao-onderhandelingen primair - en voortgezet onderwijs en kabinetsmaatregelen om techniekonderwijs in het vmbo te stimuleren. Verder weer aandacht voor talking English in het onderwijs, het klachtenloket kinderopvang en mbo’ers die op eigen verzoek voortaan officieel student heten.

 

Kleine kinderopvangorganisaties hard getroffen door IKK

Het kabinet verhoogt het budget voor de kinderopvangtoeslag met 248 miljoen euro per jaar. Dat schrijft staatssecretaris Van Ark van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Tweede en Eerste Kamer. De maximum uurprijzen voor de dagopvang die de overheid vergoedt gaan omhoog van €7,45 per uur naar €8,02 per uur. De hogere kwaliteit vanuit de wet IKK leidt tot hogere kosten voor de opvanglocaties. Daarom verhoogt het kabinet de vergoeding per uur. Door de verhoging van de maximum uurprijs worden ondernemers gecompenseerd voor de hogere kosten en kunnen ouders een hogere uurprijs vergoed krijgen via de kinderopvangtoeslag. Maar de verhoging komt haar op kritiek te staan van de hele sector kinderopvang, die door Ed Buitenhek heeft laten berekenen dat het SEO-onderzoek, waar Van Ark haar financiële kinderopvangbeleid op baseert, niet stoelt op de dagelijkse praktijk. Vooral de ‘babymaatregel’ die vanuit de wet IKK per 1 januari ingaat, heeft de afgelopen maanden tot grote onrust in de kinderopvang geleid. Vanaf 1 januari moeten babygroepen werken met één pedagogisch medewerker op drie baby’s. Nu is dat nog één op vier. Te duur, roepen veel kinderopvangondernemers in de kinderopvang. Hard nodig, oordelen andere ondernemers, onder bijval van pedagogen en ouders. Uit Buitenheks onderzoek blijkt dat kleine organisaties het hardst worden getroffen door de IKK-maatregelen, met een gemiddelde kostenstijging van 8,7 procent. Middelgrote organisaties krijgen te maken met een kostenstijging van 5,8 procent en grote organisaties met een stijging van 4,7 procent. Dit zijn aanzienlijk hogere percentages dan waar het ministerie tot nu toe van uitging. Op woensdag 6 juni hebben alle sectorpartijen in de kinderopvang geheim overleg met kinderopvangstaatssecretaris Van Ark (SZW) gevoerd, en een dag later met de vaste Kamercommissie voor sociale zaken. Zij hebben een pleidooi gehouden om de bkr-maatregel voor kleine aanbieders gefaseerd in te voeren. Maar de staatssecretaris geeft geen krimp. Ondanks het feit dat de kosten van de kwaliteitverhogende maatregelen kunnen verschillen per organisatie, is de staatssecretaris van mening dat de compensatie ‘gemiddeld genomen’ toereikend is.  Staatssecretaris Tamara van Ark (SZW) ziet geen reden tot uitstel van de aangescherpte beroepskracht-kindratio voor baby’s, die per 1 januari 2019 van kracht wordt. Ze stelt dat de sector tijd genoeg heeft gekregen om nieuw personeel te werven of personeel om te scholen. Update: Bovenstaande heeft er inmiddels toe geleid, dat de BK het overleg met SZW heeft opgeschort.  

 

Minister: ingrijpende koerswijziging nodig

Een ingrijpende koerswijziging is nodig voor verdere versterking positie leraar, schrijft Minister Slob.  Dit houdt o.a. in dat het lerarenregister wordt uitgesteld. Om te bepalen welke stappen nu gezet moeten worden om te komen tot een stevige beroepsgroep, heeft de minister Alexander Rinnooy Kan gevraagd om dat nader te verkennen. Rinnooy Kan gaat nog voor de zomer de eerste gesprekken voeren met lerarenorganisaties, leraren en andere betrokkenen. ‘Een goed functionerende beroepsgroep is in ieders belang en essentieel voor ons onderwijs. Ik wil daar graag naar vermogen toe bijdragen’, aldus Rinnooy Kan. Lees de volledige brief aan de Tweede kamer hier.

 

Krimp in het VO

Scholen in het voortgezet onderwijs moeten meer gaan samenwerken om het teruglopend aantal leerlingen op te vangen. Die oproep doet minister Arie Slob (Basis- en Voortgezet Onderwijs) in een brief aan de Tweede Kamer. Tot 2030 daalt het aantal leerlingen op middelbare scholen naar schatting met zo’n 12 procent. Volgens Slob proberen scholen nog te veel met elkaar te concurreren om leerlingen, om zo het hoofd boven water te houden. ,,Maar op de lange termijn is dat niet houdbaar”, aldus de minister. ,,Het geld wordt dan besteed aan concurrentie, terwijl het juist keihard nodig is voor goed onderwijs aan een slinkende groep kinderen.”

 

Nieuwe cao primair onderwijs: forse stijging lerarensalaris

Werkgevers en werknemers hebben op 6 juni een onderhandelaarsakkoord bereikt voor een nieuwe cao voor het primair onderwijs. Partijen willen dat leraren en scholen snel profiteren van de resultaten van de acties in het primair onderwijs. Onder druk van de acties is 270 miljoen euro extra beschikbaar gesteld voor de salarissen van leraren. Dat bedrag is echter niet voldoende om de salariskloof met het voortgezet onderwijs compleet te overbruggen, vinden onderwijsorganisaties. De belangrijkste punten uit het onderhandelaarsakkoord zijn:

. In de nieuwe cao komt een nieuw loongebouw en functiebeschrijvingen voor leraren die recht doen aan de complexiteit van lesgeven in het primair onderwijs;

. De 270 miljoen euro is in het loongebouw ingezet voor de lerarenschalen, vooral daar waar de salariskloof met het voortgezet onderwijs het grootst is;

. Alle leraren krijgen een nieuwe, flink hogere salarisschaal en daarbovenop krijgen alle werknemers een marktconforme salarisverhoging van 2,5% per 1 september 2018;

. Alle leraren in het primair onderwijs krijgen in oktober een eenmalige uitkering van 42% van hun nieuwe maandsalaris (naar rato van de aanstelling en aanstellingsduur);

. Alle medewerkers in het primair onderwijs krijgen in oktober een eenmalige uitkering van 750 euro (naar rato van de aanstelling en aanstellingsduur);

. Er komt meer professionele ruimte voor de schoolteams;

. Voor vervanging bij zieke leraren geldt de ketenbepaling niet langer. Hierdoor kunnen scholen alles op alles zetten om vervanging te regelen en lesuitval te voorkomen;

. De verplichte functiemixpercentages verdwijnen uit de cao. Er wordt 70 miljoen euro extra toegevoegd aan lerarensalarissen. Scholen, leraren en schoolbesturen gaan zelf over het functiebouwwerk in hun organisatie;

. Bovenwettelijke uitkeringen worden aangepast; de cao wordt eenvoudiger, transparanter en beter leesbaar en loopt tot 1 maart 2019.

 

Minister Slob is blij met het onderhandelaarsakkoord over de nieuwe cao. Zodra de achterbannen van de bonden instemmen, zal de 270 miljoen euro worden uitgekeerd die het kabinet beschikbaar heeft voor het verbeteren van de salarissen, laat hij weten. De totale loonstijging is voor een basisschoolleraar naar verwachting gemiddeld 8,5 procent: dat komt neer op 3100 euro bruto per jaar. Volgens de minister hebben de sociale partners voldaan aan de voorwaarden die door het kabinet waren gesteld. Al het beschikbaar gestelde geld gaat naar salarissen en de bovenwettelijke ww is genormaliseerd. Die regeling voor werkloze leraren was ruimer dan in andere sectoren. Slob: ‘Hiermee is de weg vrijgemaakt om na het werkdrukakkoord ook de salarissen te gaan verbeteren.’ Ook de schoolleiders zijn tevreden. Maar we zijn er nog niet, meldt AVS-voorzitter Petra van Haren: ‘Gelijkschakeling met het VO is voor ons nog steeds aan de orde. Dit laatste is een belangrijke reden om de steun zoals we die steeds bij de acties hebben gegeven te blijven geven.’

 

Kabinet schrapt negatieve financiële prikkel in het mbo

Vanaf volgend jaar wordt er in de financiering van het mbo geen rekening meer gehouden met hoe lang een mbo-student over zijn of haar studie doet. Op dit moment krijgen scholen minder geld naarmate een student lang(er) in het mbo studeert. Door deze wijziging krijgen mbo-studenten meer tijd om hun diploma te halen. De ministerraad heeft ingestemd met het voorstel van minister Van Engelshoven van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de mbo-bekostiging te wijzigen. Het voorstel wordt nu voorgelegd aan de Raad van State. De zogenoemde cascadebekostiging is ingevoerd om mbo-scholen te stimuleren studenten efficiënt een diploma te laten behalen. Als studenten langer dan gemiddeld over hun opleiding doen, lopen deze mbo-scholen bekostiging mis. Deze financiële prikkel kan ervoor zorgen dat scholen studenten zo snel mogelijk willen opleiden, maar kan ook leiden tot het weren van studenten van opleidingen. Dit kan kansenongelijkheid in de hand werken. Per volgend jaar beëindigt het kabinet deze systematiek. Zo krijgen studenten meer tijd om hun diploma te halen. Begin februari heeft minister Van Engelshoven een akkoord gesloten met de mbo-sector. Ze heeft met de mbo-scholen onder andere afgesproken dat de cascadebekostiging wordt afgeschaft. Hierdoor gaat het beschikbare budget voor de mbo-scholen op een andere wijze verdeeld worden, aangezien geen rekening meer wordt gehouden met hoe lang een mbo-student over zijn of haar studie doet. Door deze nieuwe verdeling zullen scholen te maken krijgen met een ander budget.

 

Extra geld voor alle vmbo-scholen met een techniekprofiel

Alle vmbo-scholen met een technisch profiel krijgen in 2018 en 2019 extra geld om te investeren in techniekonderwijs. Voor de basis- en kaderberoepsgerichte leerwegen gaat het om 1500 euro per leerling in 2018 en 3000 euro per leerling in 2019, de gemengde leerweg ontvangt de helft. Dat laat minister Slob weten aan de Tweede Kamer in een brief over de uitwerking van de 100 miljoen euro extra voor techniekonderwijs die dit kabinet beschikbaar heeft gesteld. De scholen krijgen een extra financiële injectie omdat goed techniekonderwijs hard nodig is. Devraag vanuit het bedrijfsleven naar goed opgeleid technisch personeel neemt toe. Tegelijk worden scholen geconfronteerd met dalende leerlingaantallen en een afname van het aandeel leerlingen dat kiest voor vmbo-techniek. Dat maakt het lastig om in alle regio’s kwalitatief hoogstaand en dekkend techniekonderwijs te blijven bieden. Ook staat de kwaliteit van de opleidingen onder druk door een dreigend docententekort.

 

Omdat de arbeidsmarkt overal anders is en daarmee de vraag naar technische personeel verschilt, kan het onderwijsaanbod per regio verschillen. Slob vraagt scholen daarom om voor 1 april 2019 een regionaal plan voor de periode 2020 – 2023 in te dienen. Het plan moet zijn opgesteld met relevante regionale partijen, scholen, mbo-instellingen, het bedrijfsleven en de lokale overheid. Op basis van deze plannen kunnen scholen vanaf 2020 voor een periode van vier jaar extra geld krijgen. De plannen voor de extra investering zijn gemaakt in overleg met vmbo scholen, mbo-instellingen, het bedrijfsleven en de lokale overheid. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) organiseert samen met Stichting Platform Vmbo’s, Platform Bèta Techniek en uitvoeringsorganisatie DUS-I 3 informatiebijeenkomsten over de investeringen in het vmbo-techniek.

 

Minister reageert op oproep Ton Heerts voor vergaande samenwerking scholen

Uit haar brief aan de Tweede Kamer op het FD-artikel ‘Fusiegolf in het mbo is onvermijdelijk’ blijkt dat de minister van OCW het in grote lijnen eens is met de analyse van MBO Raad-voorzitter Ton Heerts dat nauwe samenwerking tussen scholen nodig is om te anticiperen op het dalende aantal mbo-studenten. De minister onderschrijft vanuit haar eigen analyse en zienswijze in grote lijnen de geschetste ontwikkeling die de voorzitter van de MBO Raad liet optekenen. Heerts sprak op 18 april in het Financieele Dagblad zijn zorgen uit over de toekomst van het mbo, landelijk en in de regio. Steeds minder jongeren kiezen voor het mbo. Dat komt door demografische krimp: er worden simpelweg minder kinderen geboren. Maar een andere belangrijke oorzaak is dat door maatschappelijke druk jongeren vaker kiezen voor de havo, terwijl de beroepsroute vmbo-mbo vanwege hun talenten een logischer keuze zou zijn.

 

MBO Raad en VO-raad ondersteunen samenwerking vmbo- en mbo-scholen in regio

Het beroepsonderwijs sterk houden in tijden van krimp, lerarentekort en snelle ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Intensieve regionale samenwerking tussen vmbo- en mbo-scholen is daarvoor nodig. De MBO Raad en VO-raad hebben afgesproken de scholen daarvoor samen te faciliteren. Deze afspraak gaat bijdragen aan een versnelling in de uitwerking van het programma Sterk Beroepsonderwijs. In februari 2017 kondigden toenmalig minister Bussemaker en staatssecretaris Dekker een aanpak aan om de doorstroom van vmbo naar mbo te verbeteren, samengebracht onder de noemer Sterk Beroepsonderwijs. Sterk Beroepsonderwijs heeft tot doel dat elke regio in 2020 een functionerend netwerk vmbo-mbo heeft in de opleidingssectoren waarvoor dit gezien de arbeidsmarkt relevant is. Vanaf 2021 biedt elke regio doorlopende routes vmbo-mbo aan die aansluiten bij de regionale context. De MBO Raad en de VO-raad gaan samen met de AOC Raad en de Stichting Platforms VMBO scholen faciliteren bij het realiseren van netwerken vmbo-mbo in de verschillende opleidingssectoren en bij de ontwikkeling van doorlopende routes vmbo-mbo. Voorzitter Ton Heerts van de MBO Raad: ‘De scholen in de regio zijn en blijven zelf aan zet in het maken van de samenwerkingsafspraken en het bepalen van de thema’s op de regionale agenda. MBO Raad en VO-raad ondersteunen.’ Samen richting de brancheorganisaties een landelijk loket in waar scholen terecht kunnen met vragen over samenwerking op specifieke thema’s. Daarnaast kunnen scholen een beroep doen op inhoudelijke experts. Ook zijn er enkele ervaringsdeskundige oud-bestuurders uit het vo en mbo beschikbaar voor consultatie. Verder gaan ze regionale kennisdelingsbijeenkomsten organiseren en instrumenten ter beschikking stellen die het gesprek tussen vmbo- en mbo-scholen in de regio kunnen ondersteunen.

 

Talking English: de meerwaarde van internationalisering

Internationalisering van het middelbaar beroepsonderwijs en het hoger onderwijs heeft meerwaarde. Om die meerwaarde zo groot mogelijk te laten zijn, is het nodig om aan een aantal voorwaarden te voldoen. Zo staat de kwaliteit van onderwijs altijd voorop en moet er altijd plek zijn in het onderwijs voor de Nederlandse student. Alleen wanneer internationalisering in evenwicht is, kan de internationale ervaring van meerwaarde zijn voor de Nederlandse student, voor het Nederlandse onderwijs en voor de Nederlandse kenniseconomie. Dat schrijft minister Van Engelshoven (OCW) in een brief aan de Tweede Kamer. ‘Ik sta voor een open Nederlandse samenleving waarin we over grenzen heen durven te kijken. We moeten ons niet bang laten maken over verhalen dat internationalisering iets negatiefs is dat over ons wordt uitgestort,’ aldus de onderwijsminister. ‘Ik sluit mijn ogen niet voor de mogelijke keerzijden van internationalisering en daarom zal ik ervoor zorgen dat er altijd plek is in het hoger onderwijs voor iedere Nederlandse student, en dat er voldoende opleidingen in het Nederlands worden aangeboden.’ Het hoger onderwijs krijgt een steeds internationaler karakter, maar de cijfers laten zien dat nog altijd het overgrote deel van de studenten Nederlandse studenten zijn en de opleidingen voor het overgrote deel in het Nederlands gegeven worden. Een uitzondering hierop is de universitaire masteropleiding. ‘Feit is dat veel studenten uit het buitenland naar Nederland komen, omdat ze daarmee kiezen voor goed onderwijs. Dat is iets om trots op te zijn’’, schetst Van Engelshoven. ‘Tegelijkertijd mag het niet tot ongewenste effecten leiden, zoals verdringing van Nederlandse studenten of studies die alleen om meer studenten aan te trekken overgaan op het Engels. Want internationalisering mag geen doel op zich worden.’’

 

Van Engelshoven wil het wetsartikel dat gaat over de taalkeuze in het middelbaar beroepsonderwijs en het hoger onderwijs herzien, met de focus op en de toegankelijkheid van het onderwijs voor Nederlandse studenten en op het onderbouwen van de meerwaarde van de keuze voor een andere taal dan het Nederlands. De Inspectie zal gaan toezien op naleving van het herziene wetsartikel. De NVAO zal bij de kwaliteitstoetsing van opleidingen ook aandacht te hebben voor de taalkeuze van de opleiding en de taalvaardigheid van de docenten. Van Engelshoven krijgt steun van de Onderwijsraad: internationalisering van het hoger onderwijs is gewenst, maar gaat niet vanzelf goed, meldt de raad. Er zijn strikte waarborgen nodig voor de kwaliteit en de toegankelijkheid van het hoger onderwijs. Zoals in zijn eerdere advies Internationaliseren met ambitie (2016) benadrukt de raad dat opleidingen, instellingen en overheid terecht op internationalisering hebben ingezet. Steeds meer opleidingen worden in het Engels verzorgd en er zijn inmiddels ruim 75.000 buitenlandse studenten in Nederland. Dat levert voortdurend discussie op over verengelsing, verdringing van Nederlandse studenten en de kosten van de studie van buitenlandse studenten. De raad roept de overheid op om oog te hebben voor verschillen binnen het hoger onderwijs, waardoor niet met één aanpak voor het hele hoger onderwijs kan worden volstaan.

 

Nuffic: ruim 36.000 leerlingen volgen tweetalig onderwijs

De Tweede Kamer heeft met ruime meerderheid een motie aangenomen om de lessen uit het tweetalig onderwijs (tto) op middelbare scholen te delen met het hoger onderwijs. Maar hoe ziet dat tweetalig onderwijs in ons land er precies uit? Nuffic bracht dit zogeheten tto-onderwijs in kaart in het rapport ‘Tweetalig onderwijs in het voortgezet onderwijs’. Tweetalig onderwijs bestaat sinds 1989 in het voortgezet onderwijs. In tweetalig onderwijs krijgen leerlingen minimaal de helft van de vakken in het Engels aangeboden. Tweetalig onderwijs vindt vooral plaats op vwo-scholen, maar de groei is het sterkst op vmbo en havo. Het onderzoek laat zien dat in het schooljaar 2017-2018 in totaal 119 middelbare scholen tweetalig onderwijs (tto) aanbieden in Nederland. 36.254 leerlingen volgen dit onderwijs, waarvan 27.874 leerlingen op het vwo, 5.208 op de havo en 3.172 op het vmbo. Op de 119 middelbare scholen kunnen leerlingen vooral tweetalig onderwijs volgen op het vwo (120 afdelingen), en in mindere mate op de havo (63 afdelingen) en het vmbo (31 afdelingen). De scholen zijn verspreid over het hele land, met de hoogste concentratie tto-scholen in Zeeland. Hier biedt 25% van de scholen tweetalig onderwijs aan.

 

Mbo’ers betalen veel voor ongebruikt lesmateriaal

Bijna de helft van alle mbo-studenten zegt dat ze boeken en materiaal moeten kopen voor hun opleiding die ze nooit gebruiken. Dat blijkt uit onderzoek onder ruim 260.000 mbo’ers door JOB, de Jongerenorganisatie Beroepsonderwijs. ‘Van de 21 licenties die ik moest aanschaffen voor toegang tot online lesmateriaal, heb ik er maar vijf gebruikt’, zegt Tom, student onderwijsassistent. Van de studenten die zeggen materiaal voor niets te kopen, komt een groot deel van de sector Zorg en Welzijn. Daar vallen bijvoorbeeld de opleidingen Verpleegkunde en Tandarts-assistent onder. Van hen geeft 56 procent aan dat ze aangeschafte spullen eigenlijk niet nodig hebben. In andere sectoren, zoals Media en Vormgeving en Voedsel, Natuur en Leefomgeving geeft ook rond de helft van de studenten dat aan. De MBO Raad weet van het probleem en zegt dat scholen aan oplossingen werken. MBO Raad-voorzitter Ton Heerts: ‘Scholen zijn verplicht schoolkosten zo laag mogelijk te houden. Uitgangspunt is dat wat studenten moeten aanschaffen ook echt wordt gebruikt. Als blijkt dat boeken niet gebruikt worden, halen scholen ze bijvoorbeeld van de lijst. Of ze betalen aan het einde van het jaar de kosten terug.’

 

Gemeenten: integrale aanpak klimaatdoelen nodig voor publiek vastgoed

Gemeenten pleiten voor een meer integrale aanpak bij de realisatie van de klimaatdoelen voor publiek gefinancierd vastgoed. Dit is de uitkomst van een bijeenkomst georganiseerd door VNG en Bouwstenen op 30 mei. Op de bijeenkomst waren ruim 60 gemeenten vertegenwoordigd. Een breed plan voor de hele vastgoedportefeuille krijgt de voorkeur van gemeenten. Ze willen liever geen aparte benaderingen van schoolgebouwen, zorglocaties en sportfaciliteiten. De toenemende vraag van multifunctioneel ruimtegebruik, financierbaarheid van maatregelen en aansluiting met het ruimtelijk beleid, warmtenetten en de wijkaanpak maken dat een breed plan noodzakelijk is. Gemeenten bezitten relatief weinig vastgoed. Toch kunnen ze een belangrijke rol spelen in de verduurzaming van de gebouwde omgeving. Dit kan via het eigen vastgoed, de wettelijke taak rond onderwijshuisvesting en tijdens natuurlijke transactiemomenten. Het ruimtelijk beleid en de relatie met corporaties bieden ook kansen om de gebouwde omgeving te verduurzamen. Veel gemeenten geven aan dit graag te willen.

 

80 procent meer klachten bij Klachtenloket Kinderopvang

In 2017 is het aantal klachten wat is ingediend bij het Klachtenloket Kinderopvang van de geschillencommissie met 80 procent gestegen. Het Klachtenloket behandelde ruim 283 klachten, 72 zaken werden doorverwezen naar de geschillencommissie kinderopvang. De meeste klachten gingen over een kinderdagverblijf (138), gevolgd door buitenschoolse opvang (64) en gastouderopvang (58). Dat meldt de geschillencommissie in haar jaarverslag over 2017. Het Klachtenloket Kinderopvang bestaat sinds 2016 en ondersteunt kinderopvangorganisaties, oudercommissies en ouders bij vragen en klachten over de kinderopvang en bij het vinden van een passende oplossing. De groei van 80 procent is te verklaren doordat kinderopvangorganisaties, veldpartijen en het klachtenloket het afgelopen jaar investeerden in de naamsbekendheid. In 2017 gaf het loket ook in 3337 telefoongesprekken advies, en bijna 45.000 unieke bezoekers bekeken de website.

 

Mbo’ers heten voortaan officieel student

Minister Ingrid van Engelshoven (onderwijs) gaat wettelijk verankeren dat jongeren in het mbo voortaan aangesproken worden als student. De huidige term deelnemer is niet dekkend voor de positie vanmbo-studenten. Van Engelshoven: ‘Jongeren in het mbo zijn net zo goed studenten als al die anderen. Door nu ook in de wet de term deelnemer te veranderen in het woord student doen we aan iedereen recht.’ Het streven is om de wet in het studiejaar 2020-2021 gewijzigd te hebben. Vanaf dat studiejaar worden dan ook in de wet mbo’ers studenten genoemd. Hiermee komt Van Engelshoven tegemoet aan een wens van jongeren in het mbo

 

Onderhandelaarsakkoord cao VO

 

Werkgevers en werknemers in het voortgezet onderwijs hebben een onderhandelaarsakkoord bereikt over een nieuwe cao. Belangrijk is dat de werkdruk vermindert en dat docenten meer tijd kunnen besteden aan het verbeteren van de kwaliteit en ontwikkeling van het onderwijs. Voor een echte oplossing is extra geld van de overheid nodig, maar de cao zet een eerste stap. belangrijkste punten zijn:

  • Onderwijzend en ondersteunend personeel krijgt een structurele loonsverhoging van 4,5 procent (2,35 procent op 1 juni 2018 en 2,15 procent per 1 juni 2019) en een incidentele verhoging van 1 procent in oktober 2018.
  • In de cao wordt opgenomen dat ook aan de team- en afdelingsleiders in schaal 12 een bindingstoelage wordt toegekend. De hoogte van deze bindingstoelage is dezelfde als die van de leraar.
  • Vanaf 1 augustus 2019 wordt er in het takenpakket van de leraar 50 uur op jaarbasis vrijgespeeld om in te zetten als ontwikkeltijd. In de praktijk kan dit ertoe leiden dat leraren 1 uur minder les per week zullen geven.
  • Voor het ondersteunend personeel is afgesproken dat het komend jaar extra aandacht wordt besteed aan het loopbaanbeleid en de vermindering van werkdruk. Ook wordt het budget voor scholing gelijk getrokken met dat van het onderwijzend personeel.
  • Voor onbevoegde leraren is een afwijking van de ketenbepaling afgesproken, waardoor er voor de duur van maximaal vier jaar tijdelijke dienstverbanden mogelijk zijn.

 

 

 

VTOI-NVTK, Röntgenlaan 19, 2719 DX Zoetermeer
Postbus 275, 2700 AG Zoetermeer
Telefoonummer: 079-3638104
E-mailadres: bureau@vtoi-nvtk.nl